Gea II
Sheleg
Thúle
Kitesj
Alch. Bruiloft
Dit
Zeker
SLAAPTABLET
Voel toch hoe zwaar dit weegt, zonder gewicht. Ik heb het ding niet nodig, niet beslist.
Interessant?
 - Hexagrammen
 - Swastika's
 - Toelichting Gea II
Zoek naar

   op deze pagina
   op de website

zoeken  wissen
Publicaties / De Alchemische Bruiloft Ontcijferd / Voorbeeld

De Alchemische Bruiloft Ontcijferd

Colofon

De alchemische bruiloft ontcijferd
door Munin Nederlander is vormgegeven door
Foster J.W. Vermeulen naar adviezen van Gerolf T'Hooft.
Het binnenwerk is gezet uit de Garamond (True Type) en
opgemaakt met Word for Windows door Saahabi Leenheer.
De band is ontworpen en vormgegeven door
Gerolf T'Hooft en Foster J.W. Vermeulen.
De tekening op de voorkant, evenals de figuren in het
binnenwerk (tenzij anders vermeld) zijn van de hand van
Munin Nederlander
Correctie en redactie: Foster J.W. Vermeulen
Bibliografie en noten: Wim A.M. Leys
Papier binnenwerk: Bioset 90 grams
Band: 240 grams inver coat sulfaatkarton
Drukker: Wilco te Amersfoort
Binder: Stronckhorst van de Esch te Groningen

Dank aan de bestuursleden van Stichting Dichtdoor
voor hun ondersteuning en hulp tijdens de totstandkoming,
presentatie en promotie van dit werk.

In het bijzonder dankt de uitgever Gerolf T'Hooft
(Uitgeverij Asoka, Nieuwerkerk a/d IJssel) voor de prettige
samenwerking, de vele vakkundige adviezen, de hulp en de
vriendschappelijke uitwisseling.

Distributie: Centraal Boekhuis via Uitgeverij Nas, Tilburg
Scholtens BV te Sittard
Metamorfose, Postbus 300, 3000 AH Rotterdam Tel. & Fax: 010-4128845

Uitgeverij Metamorfose Rotterdam 1998.
ISBN 90-75853-01-7

Copyright

Behoudens uitzondering door de Wet gesteld mag zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op het auteursrecht niets uit deze uitgave worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of anderszins, hetgeen ook van toepassing is op gehele of gedeeltelijke bewerking.
De uitgever is met uitsluiting van ieder ander gerechtigd door derden verschuldigde vergoedingen van kopiëren, bedoeld in art. 17 lid 2 Auteurswet 1912 en in het Koninklijk Besluit van 20 juni 1974 (Staatsblad 351) ex artikel 16b Auteurswet 1912, te innen en/of daartoe in en buiten recht op te treden.

Copyright 1998 Uitgeverij Metamorfose.

ISBN 90-75853-01-7 / Nugi 626 Trefwoord: Rozenkruisers/Gnosis

MUNIN NEDERLANDER

De Alchemische
Bruiloft ontcijferd

Een commentaar op het inwijdingsgeschrift der Rozenkruisers

METAMORFOSE
ROTTERDAM
1998

Inhoud

Voorwoord 13
   
1. INLEIDING 19
De val der engelen en het menselijk herstel 20
De genezingsarbeid der rozenkruisers 21
C.R.C, en zijn navolgers 22
De alchemische bruiloft van C.R.C. 23
    De verbinding van geest en ziel 24
    De wetten van getal, maat en gewicht 25
De wetten van het getal zijn een brug tussen geest en stof 26
De relatie tussen getal en moraal 28
De verbinding van getallentheorie, taal en muziek 30
De geschiedenis van de na-Atlantische getallentheorie 32
    De joodse kabbala 33
    De Griekse gematria 34
    De Arabische algebra 35
    De moderne wiskunde 35
    De Midden-Amerikaanse getallenleer en kalenderkunde 35
   
2. OPSTEL OVER HET BAD BETHESDA 39
Samenvatting van de inleiding 40
Rudolf Steiner over het bad Bethesda 41
Getallensymboliek in bad Bethesda en de genezing van Jaïrus 47
Johannes 5:2-15 en Rudolf Steiners commentaar 50
Verdieping in de kabbala 54
    De val der engelen 54
    De zeven planeten en hun bewoners 55
    Saturnus en het magische vierkant 3^2 56
    De magische vierkanten 4^2 t/m 9^2 58
    Magische kubussen 61
Verdieping in de gematria 65
    De vierdimensionale kubus 66
    De projectie van de kubus tot metakubus 67
    1-, 7-, 19-, 37-, 61-hexagram 69
    De opbouw van de hexagrammen 72
    Magische hexagrammen 74
    Kubusgetallen 75
    Het magische 19-hexagram en zijn geometrische patroon 77
   
3. SAMENVATTING VAN EN INLEIDEND COMMENTAAR OP DE ALCHEMISCHE BRUILOFT VAN C.R.C. 85
Eerste Dag 87
Tweede Dag 89
Derde Dag 91
Vierde Dag 97
Vijfde Dag 102
Zesde Dag 110
Zevende dag 120
   
4.HOOFDCOMMENTAAR OP DE ALCHEMISCHE BRUILOFT VAN C.R.C. 123
Eerste Dag 124
C.R.C, als prototype van de nieuwe mens 124
De drievoudigheid van geest en ziel 125
De zevenvoudigheid van de voorbereiding tot de bruiloft 127
De uitnodigingsbrief en de monashiëroglyphe 128
De droom van C.R.C, en de zeven koorden van uitredding 128
De drie-, vier- en zevenvoudige voorbereiding van C.R.C.'s reis 129
   
Tweede Dag 131
Vier wegen en drie cederbomen 131
De wachter op de drempel en de poortwachters 132
De vooraankondiging van de weegscène 134
Het getallenpaar vijf en acht 134
   
Derde Dag 136
De weegschaal van het oordeel 136
De 126 gasten die een of meer gewichten doorstonden 137
De getallendriehoek van Pascal 138
J.V. Andreae verbindt wiskunde met spiritualiteit 140
C.R.C, schenkt zijn overgewicht aan een keizer 141
C.R.C., zijn page en jonkvrouw Alchymia 142
De berekeningen van het aantal moreel gewichtlozen 143
    De fysieke mensheidsevolutie in zeven aarderondten 143
    De psychische mensheidsevolutie in 343 aartsengelperioden 144
    Aanvullende bepaling van het aantal moreel gewichtlozen 149
    De grote stelling van Fermat 149
De magische kubus 73 en de aantallen bruiloftsgasten 153
De maaltijd in de slottuin en het bezoek aan het slot 155
C.R.C, lost Alchymia's naamraadsel op 156
Het terughangen van de gewichten 159
   
Vierde Dag 161
De tumbron en de uitreiking van een nieuw gulden vlies 161
Het bruiloftsgewaad van C.R.C. 162
De symboliek van de 365 treden der koninklijke wenteltrap 163
De mayakalender: het tun- en het haabjaar 164
De bruiloftsgasten ontmoeten Atlas 165
De pinealis, de hypofyse en de nucleus suprachiasmaticus 167
De bruiloftsgasten ontmoeten de drie koningsparen 168
Het altaar en zijn attributen 170
T(ao)-kruis en Monasglyphe 171
C.R.C.'s geboortejaar 1378 en huwelijksjaar 1459 172
De mislukte dans en de somwaarde van de naam Alchymia 173
Het toneelstuk in het zonnehuis als mensheidsevolutie 175
Het avondmaal van de bruiloftsgasten 181
De onthoofding van de drie koningsparen en de Moor 181
C.R.C, als getuige van de inscheping der zeven lijken 182
   
Vijfde Dag 185
C.R.C, bezoekt het graf van vrouwe Venus 185
De smeltende levensboom in de Venusbron 186
De Hermes- en de Venusbron als eikaars complement 188
De begrafenis van de zes lege doodskisten 191
De tocht naar het eiland van Olympus 194
    De slangenvuurkracht van het hart en het hekken 195
    De zeven schepen: hun uitrusting, bemanning en schikking 196
    De zeenimf, de koninklijke parel en de lofzang op de liefde 199
    De zeven schepen in een pentagram herschikt 200
    De schepen naderen het eiland van Olympus 200
    De ontvangst door de torenwachter 201
Samenvatting van gegevens over Atlas 202
Typering van de torenwachter 204
De opbouw van de toren van Olympus 205
De reiniging op de eerste torenverdieping en het magische vierkant 3^2 207
Het wezen van de tzolkinkalender 209
    De eenheidsgod van de tijd: Huehueteotl alias Hunab Ku 210
    Quetzalcoatl: de adelaarslang 212
    Het Mars- en het Venusjaar 213
    Pacal Votan en de drievoudigheid van Quetzalcoatl 214
    Een Pacal- Votanera en een kalenderronde 215
    De Tzolkin en ons zonnestelsel 217
    De Tzolkinkalender en het eiland van Olympus 218
   
Zesde Dag 220
De tweede torenverdieping 220
    De symboliek van ladders, vleugels en touwen 220
    Het zesbladige geslachtschakra 222
    Het gezelschap rondom de bron volgens het 37-hexagram 224
    De hexagramstructuur van de Olympustoren en het chakrasysteem 227
    De lijken versmelten tot een rode vloeistof 228
De derde torenverdieping 228
    Het zesbladige miltchakra en de verhitting van de gouden globe 229
    De hexagramvorm, de gouden globe en het witte ei 231
De vierde torenverdieping 232
    De koperen ketel, het ei en de wilde vogel 232
    Het tienbladige maagchakra en de vijfhoeksgetallen 234
    Het maagchakra als basis voor het buikhersencentrum 236
    Het ewormings- en ei-uitkomingsproces respectievelijk bij herinneren en denken 237
    De mentale conceptie der chemische bruüoftsmens 238
    De koperen ketel als kubus met vier teksten 239
    De wilde vogel wordt viermaal gevoerd 241
De vijfde torenverdieping 242
    De wilde vogel wordt blauw geverfd 242
    Het twaalfbladige hartchakra 243
    De ademhaling van de toekomstige mens 243
    De Blauwe Steen, de Gouden Steen als Steen der Wijzen, het Gulden Vlies 244
De zesde torenverdieping 245
    Het altaar met zeven attributen 245
    Het zestienbladige keelchakra 247
    De hogere octaaf van de acht deugden 248
Intermezzo I 250
Vervolg: De hogere octaaf van de acht deugden 251
Intermezzo II: de koningszaal gerelateerd aan de zevende en achtste torenverdieping 251
De zevende en achtste torenverdieping 253
    De opsplitsing van het bruüoftsgezelschap 253
    Het tweebladige voorhoofds- en het achtbladige kruinchakra 254
    De twee-eenheid van geest en ziel 255
    De zevende torenverdieping als verdieping van de vijfvoudige ziel 256
    De achtste torenverdieping en het nieuwe koningspaar 257
    Het Benjamin-Franklin-vierkant en Andreae's exacte fantasie 258
    De hexagramvorm van de zevende en achtste verdieping 261
    De opstelling der gasten op de achtste torenverdieping 262
    De torenwachter als hogere octaaf van de slotwachter 265
    Het alchemische paar wordt tot bewustwording 266
    De androgyne zoon van Venus 267
    De terugkeer van het gezelschap naar het bruiloftsslot 268
   
Zevende Dag 270
Ridders van de gouden steen 270
    Het vergeestelijkte stoflicbaam 271
    De tekst op het goudstuk 273
    De ridders vormen een nieuwe broederschap 274
512 c.q. 513 schepen varen terug naar het slot 274
De ontmoeting van Atlas met de oude torenwachter 276
Het liefdeskistje van Cupido 277
C.R.C, blijkt de vader van de oude torenwachter 278
C.R.C, wordt poortwachter 278
C.R.C, sticht de broederschap van het Rozenkruis 280
De orderegels van de broederschap 281
Het hoogste weten is te weten niets te weten 282
Twee kwarto bladzijden ontbreken 283
De kalenderkundige betekenis van 1248 AD 284
   
5. SAMENVATTING EN EPILOOG 287
De samenvatting van De alchemische bruiloft in 11 punten 288
De samenvatting van getallenpatronen bevattende scènes uit De alchemische bruiloft 290
Waarom Andreae bepaalde scènes met bepaalde getallenpatronen verbindt 293
    De uniciteit van het hexagram 294
    Westerse en Midden-Amerikaanse kalenderkunde 296
    Combinatierekenkunde en de oerradix van Fermats grote stelling 297
    3, 4, 7, 12: de aantallen grondelementen van het bruiloftsverhaal 298
De verbinding van religie met wetenschap 299
De zeven wereldgeheimen in De alchemische bruiloft 300
   
Noten 301
Bibliografie 306
Colofon 312

Voorwoord

In de geïllustreerde bundel gedichten en opstellen Aletheia, die ik ter nagedachtenis aan mijn overleden vrouw Alja heb uitgebracht, had ik een opstel met een prent willen opnemen over een fragment uit het geschrift De alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis anno 1459, van Johan Valentin Andreae (1586-1654). Mijn vrouw stierf onder het zegel van de roos en het kruis. Daarom leek het mij passend om in het aan haar gewijde gedenkschrift met die opname daaraan uitdrukking te geven. Maar het opstel werd te lang en mijn vrienden raadden mij aan om het uit te werken tot een aparte monografie over Andreae's hoofdwerk. Dat leidde tot de uitgave van deze studie die ik, vanuit zijn oorsprongsgedachte (niet om reden van onderwerp), beschouw als een aan Aletheia parallel geschrift. Samen met Aletheia draag ik dan ook dit geschrift op aan Alja.

Iets over het oorspronkelijke, onvoltooid gebleven opstel. Het handelde over de laatste passages van de zogeheten Vijfde Dag van Andreae's bruiloftsverhaal. Daarin is sprake van een ommuurd vierkant eiland, het eiland van Olympus, waarop een toren staat, de toren van Olympus, waarm de feitelijke, uiteindelijke bruiloftshandelmgen worden verricht. Op de achtste en hoogste verdieping van die toren ontwaakte tenslotte het nieuwe, uit de dood opgewekte alchemische koningspaar waar het in het verhaal allemaal om draait. Het alchemische
koningspaar is ontstaan uit de alchemische scheppingsmaterie die in twee pasvormpjes werd gegoten. Over de maten van het eiland van Olympus meldt het verhaal niets, maar van zijn omringende muur wordt gezegd dat hij overal 260 schreden dik was. Daar deze mededeling vragen oproept tegenover het gebrek aan informatie over de op voorhand belangrijker te achten maten van het eiland zelf, tekende ik een keer dat eiland uit, met zijn muur als rand er omheen en noteerde her en der op die rand het getal van zijn dikte: 260*. Mij afvragend wat dit kon beduiden en bij gebrek aan een andere inval, schetste ik op het oppervlak van het aldus ommuurde vierkante eiland, niet de toren, maar de genoemde pasvormpjes met het koningspaar, gezien van bovenaf.
Als geïnteresseerde in de vrijmetselarij vermocht ik toen vast te stellen dat de ontstane schets zeer sterk leek op een door de Amerikaanse staatsman en vrijmetselaar Benjamin Franklin (1706-1790) ontworpen magische figuur, het zogeheten goedgeordende, schaakbordvormige magische vierkant van zijn naam. Dit vierkant, door mij nader uitgewerkt, siert de omslag van deze publicatie en staat ook afgebeeld op p. 259. In moderne vrij metselaarsstudies en ook in eigentijdse interpretaties van de zeer esoterische kalenderkunde van de eertijdse Midden-Amerikaanse culturen, speelt het een belangrijke rol. Dit komt overeen met de hoofdrol die veel magische vierkanten spelen in de joodse theosofie en het middeleeuwse rozenkruis.

*

De passage in het bruiloftsverhaal waarop ik mij beroep, luidt in de grondtekst: Deze toren stond op een zuiver vierkant eiland, dat door zulk een sterke, dikke muur omgeven was, dat ik een doorsnede van 260 schreden telde.(Weber, p.91) Bi] eerste lezing van deze mededeling zou men kunnen menen dat dit schredenaantal op de doorsnede van het eiland betrekking heeft. Redekundige ontleding van de zin laat dit schredenaantal echter op de muurdikte slaan. Regel is, dat een specificatie betrekking heeft op een laatst vermeld gegeven, en dat is hier de muur. Waar dan nog bij komt, dat indien het aantal schreden op de eilandbreedte sloeg, de aanwijzing zulk in zulk een sterke, dikke muur zinloos wordt. De filoloog R. Kienast kwam tot dezelfde conclusie in zijn studie Johan Valentin Andreae und die vier echten Rosenkreuzer-Schriften, Leipzig, Mayer & Muller, 1926, p. 82. Zou overigens iemand het schredenaantal toch op het eiland willen laten slaan, dan zou weliswaar de vermelde oorzaak, waardoor mij het bijzondere, rekenkundige karakter van het eiland van Olympus in het oog sprong, niet gelden, maar natuurlijk wel het in het verloop van het voorwoord hierover naar voren gebrachte, en dit in minstens zo sterke mate als in het geval hier ter sprake.

Het magische Benjamin-Franklin-vierkant is een vierkant van 8 x 8 = 64 velden, een aantal velden dat het kwadraat vormt van het achttal verdiepingen van de Olympustoren. In de velden zijn de getallen 1 t/m 64 zo geplaatst, dat de som van alle acht getallen van iedere horizontale rij en verticale kolom - alsook van iedere hier niet verder te duiden gehoekte diagonaal - de waarde 260 oplevert. Die waarde, herhaald om het vierkant heen geschreven - wat om didactische redenen gebruikelijk is -vormt dan precies de 260 schreden brede eilandmuur.
Verbindt men de getallen van dit vierkant, dan ontstaat een geometrisch patroon in de vorm van twee naast elkaar liggende spoelen of etherstromen, die zich laten interpreteren als het beeld van de twee pasvormpjes, waaruit het alchemische koningspaar opwaakt.
Vanwege deze correspondenties leek mij het beroemde Benjamin-Franklin-vierkant een zinvolle illustratie bij en meer nog een diepe uitdrukking van de voornoemde passages. Het legt een aanvankelijk niet zichtbaar, maar wel te verwachten verband tussen de grondslag, het fundament van het gehele eiland van Olympus en het allerbelangrijkste gebeuren in de kleine top van de toren: niet exegetisch, maar beeldend.
Doende hierover meer naar voren te brengen in relatie tot andere fragmenten van De alchemische bruiloft, ontstond aanvankelijk het vermelde onvoltooid gebleven opstel en later, vanuit nieuwe beeldende gezichtspunten, deze publicatie.

De inleiding vermeldt vooral aanzichten van de geschiedenis van de esoterische getallentheorie. Het boek vervolgt met een opstel over een tekst uit Johannes 5, het verhaal waarin Jezus Christus in het bad Bethesda een verlamde man geneest. De geschiedenis geldt binnen de leringen van het Rozenkruis en de Antroposofie als de blauwdruk van het reinigings- en genezingsproces, dat de moderne en toekomstige mens-van-goede-wil moet ondergaan, voor hij kan komen tot de ervaringen die in De alchemische bruiloft worden beschreven. Ook dit opstel is geschreven vanuit voornoemde nieuwe beeldende gezichtspunten.
De studie vervolgt met een samenvatting van de grondtekst van Andreae's hoofdwerk en een inleidend commentaar. Hoewel deze tekst zelf al uiterst compact is, zijn toch vrijwel alle details ervan in de samenvatting vermeld. Voor een weergave van de integrale grondtekst is om twee redenen niet gekozen. Ten eerste zou zij deze publicatie te omvangrijk maken en bovendien zijn veel vroegere commentatoren al tot zo'n weergave overgegaan. Ten tweede geeft een samenvatting van zo een detailrijke tekst een veel beter overzicht dan de onverkorte versie. Een overzicht dat nodig is om de vele in het commentaar aangelegde kruisverbanden tot hun recht te laten komen.
De publicatie is rijk geïllustreerd. Vele complexe situaties verhelderen zich daardoor reeds als vanzelf. Enkele illustraties sierden reeds de grondtekst. De overige prenten, die veelal betrekking hebben op de opstellingen van personen, attributen en ruimten, zijn steeds zo gemaakt, dat die opstellingen maximaal symmetrisch zijn, tenzij de grondtekst anders verklaart. Daarbij zal blijken dat ze uitdrukkingen vormen van belangrijke rekenkundige gegevenheden. De toelichtingen bij de prenten onderstrepen dat. De prenten zijn in de meeste gevallen twee keer weergegeven. Een keer in de samenvatting met inleidend commentaar en een keer in het hoofdcommentaar. Voor de dubbele weergave is bewust gekozen. De keuze knoopt aan bij het gegeven dat in een geesteswetenschappelijke beschouwing de logica wordt gepaard aan de analogie. Met andere woorden: de logische gedachtenontvouwing is gebed in schilderende analogieën die vragen om vergelijking en dus om herhaling.
De samenvatting met inleidend commentaar is evenals de grondtekst, geleed in zeven afdelingen, Dagen genaamd, waarin zeven groepen ervaringen culmineren in de Bruiloft waar het om gaat. Op de samenvatting met inleidend commentaar volgt het hoofdcommentaar, eveneens verdeeld in zeven Dagen.

Bepaalde door andere publicisten gevolgde verklaringstendensen spelen in dit werk geen hoofdrol. Zo verwijs ik bijvoorbeeld voor bijna alles wat er te zeggen valt over de historische achtergronden van Andreae's publicatie(s) en optreden, in het begin van de zeventiende eeuw, naar het werk van dr. Carlos Gilly, verricht in opdracht van de Bibliotheca Philosophica Hermetica te Amsterdam. Voor een meer antroposofisch getinte verklaring verwijs ik naar het werk van dr. Walter Weber, waarin een opstel van dr. Rudolf Stemer over De alchemische bruiloft is opgenomen. En voor een verklaring van Andreae's hoofdwerk, ten dienste van het Lectonum Rosicrucianum, wijs ik op De alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis verklaard door Jan van Rijckenborgh.
De onderzoeksresultaten van de onderhavige studie ondersteunen en bevestigen volledig de gnostische strekking van De alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis in relatie tot de hierin zo rijkelijk voorkomende rekenkundige aspecten die licht werpen op de morele aspecten en vice versa.
Door deze invalshoek sluit deze publicatie meer aan bij de onderzoeksrichting en -resultaten van de filoloog Richard Kienast die hij heeft vastgelegd in zijn werk Johan Valentin Andreae und die vier echten Rosenkreuzer-Schriften. De studie sluit met een samenvatting en epiloog.

Mijn dank gaat uit naar de vrienden van Stichting Dichtdoor, die mij bij mijn publicaties altijd terzijde staan, met name naar diegenen van hen die in de colofon worden genoemd.

Munin Nederlander, Pinksteren 1998.

Inleiding

DE VAL DER ENGELEN EN HET MENSELIJK HERSTEL

Alle esoterische tradities* melden hoe zeer veel entiteiten van drie hoge engelenhiërarchieën in hun eertijdse mensheidsontwikkeling tot kwaad vervielen en zich daardoor tenslotte reduceerden tot een geestelijk en psychisch latent, kiemvormig bestaan, zonder persoonlijke uitdrukking; met andere woorden, tot stelsels van microkosmoi met slechts een rand en een kern, en verder leeg. Waarna, volgens die tradities, God een nieuwe mensheid schiep: de onze. Hij schonk toen de leden daarvan geen nieuwe microkosmos, maar implanteerde hen, in de vorm van persoonlijkheidswezens, in de oude, lege microkosmoi, om daarin ziel en geest weer tot leven te wekken. De zo herbelevendigde microkosmoi dienden, met inbegrip van de hen ingevoegde nieuwe menselijke persoonlijkheid, hun opengevallen plaatsen in Gods engelenhiërarchieënladder weer in te nemen.
De implantering van de nieuwe persoonlijkheidsmens in de oude, lege geestzielemicrokosmos bleek echter niet zo gemakkelijk. Het implantaat moest natuurlijk eerst groeien en rijpen. Er waren ook afstotingsverschijnselen. Het microkosmische zonde-element deelde zich terstond aan het prille, ontvankelijke implantaat mee, dat daardoor al snel onderworpen raakte aan ziekte en dood - ter vereffening van de zonde-invloed - en aan hergeboorte - om tot zijn taak te komen.

* Onder alle esoterische tradities wordt verstaan:
  A. de esoterische tradities van het Oosten - de oude Indische beschaving - waarbij de schuld van de val als een mensheidsaangelegenheid wordt beschreven;
  B. de esoterische tradities van het Midden-Oosten en Europa - Israël en Griekenland - waarbij die val vooral als een drama wordt afgebeeld;
  C. de esoterische tradities van Noord-West-Europa en Amerika, waarbij die val als een godenval wordt aangemerkt (een Götterdammerung).

De implantering en wat daarop volgde bleek een echte procesgang, die de taak - namelijk het tot leven wekken van de engelmicrokosmos door de opoffering van de persoonlijkheidsmens - beïnvloedde en kleurde. De taak bleef in wezen gelijk, maar de wijze waarop ze moest worden verricht, veranderde in de loop der tijd, afhankelijk van de steeds hechter wordende band tussen de rijper en rijper wordende persoonlijkheidsmens en de engelmicrokosmos met zijn geestkiem en latente ziel*. In feite onderscheidt men een vervulling van die taak in een voor-christelijke wijze - beschreven in de esoterische tradities van het morgenland, het Verre Oosten en Amerika - en in een na-christelijke wijze - beschreven in de esoterische traditie van het avondland.

DE GENEZINGSARBEID DER ROZ ENKRUISERS

Een van de opmerkelijkste documenten in laatstgenoemde traditie is het geschrift De alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis anno 1459, in 1603 geschreven door Johan Valentin Andreae, op zeventienjarige leeftijd. In 1616 verscheen het werk in druk te Straatsburg. Het vormt een drieluik met twee andere geschriften van zijn hand: De roep der Rozenkruisers Broederschap en De belijdenis der Rozenkruisers Broederschap. Deze werken schreef Andreae na 1603, maar ze werden voor 1616 uitgebracht, in respectievelijk 1614 en 1615. Het drieluik wordt in de kringen waarvoor deze publicatie is bestemd, beschouwd als een specimen van hoe de esoterische traditie van het avondland, op basis van het unieke leven en optreden van Jezus Christus in het begin van onze jaartelling, zowel harmonieert met, alsook verschilt van de esoterische tradities die daaraan voorafgingen.

* Die geestkiem en ziel zijn in wezen drievoudig, analoog aan het drievoud van hiërarchieën waaruit ze ontstonden. Dit komt in het opstel over het bad Bethesda op p. 40 e.v. nog aan de orde.

Het betreft een harmoniering en onderscheiding die is bewerkt (in plaats van vanzelf ontstaan), als bijvoorbeeld een uitdrukking van de tijdgeest door een anonymus die in 1248 in Aquitanië (Zuid-Frankrijk) vanuit de geestelijke wereld de mysterienaam Christiaan Rozenkruis had aangenomen. Deze anonymus - een wederbelichaming van Johannes de Doper en Johannes de Evangelist in één gestalte" - wordt beschouwd als de eerste mens die zijn microkosmos wist te verbinden met zijn menselijke natuur op de wijze waarop Jezus Christus dat, als macrokosmische wezenheid, ruim duizend jaar eerder had voorgedaan. Op de wijze van zijn goddelijke voorganger had hij daarna zijn persoonlijkheid gereinigd en geheeld, en zijn microkosmos hersteld en herbelevendigd.
Jezus Christus legde in zijn aardse incarnatie, ten dienste van en als voorbeeld voor alle mensen die Hem zouden willen navolgen, de bedoelde verbinding zo aan, dat het stoffelijke lichaam van de menselijke persoonlijkheid daarbij was inbegrepen. In het daarop volgende herstel van de microkosmos - het tot leven wekken van de geest en de ziel daarin - speelde dat stoflichaam een inclusieve rol.
De zielekern van de microkosmos wordt vergeleken met een roos, en de menselijke persoonlijkheid met een kruis. Christus was de eerste en enige God-menselijke rozenkruiser en aldus werd de dubbele Johannesgestalte de eerste puur menselijke rozenkruiser. Vandaar het alias van die gestalte: Christiaan Rozenkruis.

C.R.C. EN ZIJN NAVOLGERS

Vanaf de grondlegging van onze wereld en mensheid reikte de verbinding tussen persoonlijkheid en microkosmos niet verder dan het astrale en etherische lichaam van de mens, dankzij de voorbeeldkrachten van de eertijdse Boeddha's van het morgenland, het Verre Oosten en Amerika. Oeroud zijn deze krachten, en eonen van tijd werkten zij in de mensheid door. Ze spoorden de eertijdse mensen van goede wil aan om de microkosmische geest en ziel te herbelevendigen op basis van die aanvankelijke en beperkte verbinding met de persoonlijkheid. Van die verbinding sprak men eertijds als het drijven van de geestzielekern, als een lotus of een lelie - uit Tao opgewaakt - op de wateren van het astrale en het etherische persoonlijkheidslichaam. Die lichamen werden soms verzinnebeeld door een ankh of T-kruis. Een mens die in navolging van een Boeddha, die verbinding aanlegde en deed wat daaruit voortvloeide, heette net als die Boeddha zelf, een lotusdrager. Overeenkomstig heten mensen die heden Christiaan Rozenkruis navolgen, rozenkruisers*.

*

Er is een interessant verband tussen de begrippen Lotus, Tao en Rozenkruis (zie Steiner, Aus den Inhalten der esoterischen Stunden, Band I, p. 213-230). Dit blijkt uit de verwantschap van het woord Tao met ons woord dauw en de verwantschap van het Latijnse woord voor dauw -ros - en met ons woord roos. Deze verwantschappen tonen dat bij de handhaving van een oude nomenclatuur de lotus, met name de bedauwde lotus, ook als roos is aan te merken en dat het Tao-kruis, de Ankh, om zijn dauwdruppel op de T-balk ook een rozenkruis kan heten. Waardoor de oude lotusmysteriën ook als rozenkruismysteriën kunnen worden aangeduid. De verschillen met het moderne rozenkruis blijven uiteraard van kracht, maar de oude lotus-(Tao)mysteriën en het moderne rozenkruismysterie delen dan de naam rozenkruis. Hierop berust de visie van bijvoorbeeld de AMORC - Aloude Mystieke Orde Rosae Crucis - dat het rozenkruis 'aloud' is en uit Egypte en Atlantis stamt.

DE ALCHEMISCHE BRUILOFT VAN C.R.C.

Het geschrift De alchemische bruiloft van Christiaan Rozenkruis schildert impliciet de eigentijdse verbinding van de microkosmische geest en ziel met de persoonlijkheidsmens. Expliciet schildert het de herbelevendiging van de microkosmische geest en ziel door de persoonlijkheidsmens met op diens stoflichaam betrekking hebbende bijzonderheden, zoals boven alles een rijp zelfbesef, dat slechts door een stoflichaam kan worden ontwikkeld.
In 1248 beleefde Christiaan Rozenkruis die bruiloft alléén, in diepe verborgenheid, omringd door twaalf toeziende helpers en in 1459 beleefde hij die bruiloft in het openbaar.

De verbinding van geest en ziel

Uit Andreae's geschrift blijkt vóór alles, dat de bruiloft die het beschrijft de uitdrukking vormt van die eigentijdse verbinding en vooral van die zo door bijzonderheden gekenmerkte eigentijdse herbelevendiging.
De persoonlijkheidsmens komt bij die herbelevendiging naar voren als voorbereider, mogelijkmaker en getuige. Nooit werd in oudere esoterische geschriften die herbelevendiging zo expliciet in de vorm van een alchemisch huwelijksproces geschetst en nooit werd daarin de rol van de persoonlijkheidsmens zo precies gekarakteriseerd. In slechts enkele oudere literaire geschriften vinden we een voorafschaduwing van dit huwelijksproces. Zoals in Het verhaal van Leila en Madschnun en in Floris ende Blanchefleur. In die werken valt de rol van de persoonlijkheidsmens in de bruiloft op verwarrende wijze samen met die van de geest als bruidegom. Juist hieraan herkent men hun premature karakter*.

* De premature bruiloft in de genoemde belletrie, en overigens ook de herbelevendiging van de microkosmos door de oude lotusmysteriën, begon men vanaf de Middeleeuwen aan te duiden als de mystieke bruiloft. Dit ter onderscheiding van de alchemische bruiloft.

De toelichtingen op De alchemische bruiloft van Jan van Rijckenborgh, Rudolf Steiner en Walter Weber diepen de rol van de persoonlijkheid in de bruiloft tussen ziel en geest verder uit.

De wetten van getal, maat en gewicht

Er blijkt ook nog een ander element in Andreae's hoofdwerk naar voren te treden. Er komen zeer veel getallen en getalpatronen in voor, ontleend aan lastige getallentheorie en kalenderkunde in plaats van aan alchemie. Dit element wekt een verbazing die de onmiskenbaar algemene verbazing over dit werk, veroorzaakt door de discrepantie tussen de serieuze inhoud en de lichte toon van vertellen, nog overstijgt. Deze lichte toon heeft wellicht een sociaal-didactische en humoristische reden. Maar waarom is de geschetste mensentaak, die onbetwist de heiligste taak is waarvoor de mens staat - een uitgesproken morele aangelegenheid derhalve - zo aanhoudend gerelateerd aan lastige, slechts mentaal te vatten getalpatronen. En waarom zijn deze getalpatronen vaak ten dele meegedeeld, zodat de lezer, wil hij ze begrijpen, er nog flink aan moet rekenen?
Het antwoord op de tweede vraag is evident. De patronen zijn ten halve meegedeeld, omdat het kennelijk van belang is dat de lezer ze, als zijnde onmisbaar en betekenisvol, intens meebeleeft, wat op geen betere manier kan gelukken dan ze hem afrondingsgewijs te laten narekenen*.

* De tendens van iets ten halve meedelen legde Andreae evenzeer aan andere aspecten van zijn bruiloftsverhaal ten grondslag. Men kan b.v. erop wijzen dat het verloop van het verhaal ten dele expliciet een astrologisch patroon volgt, en wellicht voor het overige deel impliciet ook. De geschiedenis vangt aan met de mededeling dat Christiaan Rozenkruis op de avond voor pasen (1459 AD) onder meer een paaslam bereidde, wat op een relatie wijst met het eerste dierenriemteken Ram. Verder in het verhaal volgen zijn eerste ontmoetingen met de Leeuw en jonkvrouw Alchymia, en de weegschaalscène; en deze sporen, in de juiste volgorde, met de middelste dierenriemtekens Leeuw, Maagd en Weegschaal. E.e.a. daagde onderzoekers terecht uit, na te gaan hoe alle hoofdscènes van het bruiloftsverhaal gerelateerd zijn aan de zodiakale tekens (O. Hinze. Kosmologische Betrachtungen zur Chymischen Hochzeit Christiani Rosencreutz anno 1459. 1991).

Gezien het voorwoord is het duidelijk dat deze studie in het verlengde van dit narekenen ligt.
Het antwoord op de eerste vraag ligt complexer. Het menselijk stoflichaam, dat de persoonlijkheidsmens vervolledigt, is ontstaan uit de stoffelijke natuur en dus onderworpen aan de wetten van die natuur. In de esoterie van het avondland worden die wetten samenvattend genoemd: de wetten van getal, maat en gewicht. In iets uitgebreidere bewoording heten ze respectievelijk: de wetten van de logica en de getallentheorie; de wetten van de geometrische vormingsprincipes; de wetten van de fysica, de chemie en de mechanica, die op het gewichtsaspect van de materie betrekking hebben.
Er is niets in de stoffelijke natuur van het Al en dus ook niets in het menselijke stoflichaam - op zich genomen en in verband met dat Al - dat zich buiten deze - deels nog onbegrepen - wetten kan uitdrukken.

DE WETTEN VAN HET GETAL ZIJN EEN BRUG TUSSEN GEEST EN STOF

De eerste groep wetten, die van het getal, nemen in het geheel een unieke positie in. Ze hebben iets absoluuts, dat aan de twee andere groepen wetten ontbreekt.
Zo is het gewicht van bijvoorbeeld een appel op de maan geringer dan op aarde, en op de zon is het groter, want de aarde heeft ten opzichte van de maan een sterkere zwaartekracht en ten opzichte van de zon een zwakkere. Deze gewichtsverschillen beïnvloeden op hun beurt chemische en mechanische processen.
Voorts is in het heelal de som van de hoeken van een driehoek niet altijd 180 graden. Dat gradenaantal is afhankelijk van de kromming van de ruimte, die her en der verschilt en daardoor niet altijd dezelfde geometrische vormingsprincipes laat zien.
Daartegenover is overal en te allen tijde in de kosmos bijvoorbeeld 2+3 = 5 en 2x3 = 6: de wetten van het getal zijn absoluut. Dit feit licht op aan het gegeven dat 1+1 aan 2 gelijk is, geheel los van de omstandigheid of dit ervaren wordt aan bijvoorbeeld twee bijeen gebrachte appels. De gelijkstelling geldt evenzogoed als die vruchten of anderssoortige materiële attributen niet present zijn.
In feite zien we aan deze en soortgelijke vormen van uitleg dat de wetten van het getal zelf niet stoffelijk zijn en dus ook niet relatief waar, zoals die van maat en gewicht, maar dat ze geestelijk zijn, uit de geestelijke wereld stammen en daardoor absoluut waar zijn. We zien verder dat ze juist daardoor nog sterker dan die maat- en gewichtswetten het stoffelijk bestaan en het stoffelijk mensenlichaam bepalen. Ze bepalen het duurzaam en absoluut.
De wetten van het getal vormen in de macrokosmos een verbinding, een brug, van de wereld van de geest naar die van de stof, om hierin de logische blauwdruk te zijn van ieder verstoffelijkingsproces. Stof, zo vat de esoterie bondig samen, is gestolde geest, waarna het stollingsproduct maat en gewicht gaat vertonen. Als summum ontstond zo in de macrokosmos het stoffelijke lichaam van de persoonlijkheidsmens, het lichaam dat bij uitstek nodig is voor het zich langs logische lijnen uitdrukkende persoonlijke zelfbesef. Via die macrokosmische brug, involutief van karakter, functioneert dit stoflichaam tot op de huidige dag.
Hieraan parallel vormen de wetten van het getal in de microkosmos van de mens een verbinding, een brug, van diens geestzieleroos naar diens genoemde stoffelijke persoonlijkheidslichaam met zijn kruisvorm, om dat lichaam op omgekeerde wijze en evolutief, door het bijbehorende zelfbewustzijn, tot rede te (laten) brengen, tot de logica van juist gedrag, een logica zo logisch als getallenstructuren en alchemische taakvervulling, waartoe het vanuit de macrokosmos ontstond.
Toen de geestzieleroos zich nog als lotus openbaarde, drijvend op de wateren van de ijlere persoonlijkheidslichamen, kon deze verbinding of brug zich in de microkosmos slechts in voorbereidende zin openbaren. Zij voerde toen primair naar het etherische lichaam van de menselijke persoonlijkheid en slechts indirect naar het genoemde stoffelijke lichaam.
Met dit alles in samenhang verklaarde Pythagoras in zijn tijd: Het getal is de vader van zowel de (macrokosmische) goden als van de (microkosmische) mensen. Alles is getal.

DE RELATIE TUSSEN GETAL EN MORAAL

Over de hier aangestipte wetten van het getal getuigt de Zieneres van Prevorst.

De [niet met letters geassocieerde M.N.] getallen in de wereld, zijn mij heiliger dan woorden [...], maar ik moet, om tot begrip te komen, getal en letter met elkaar verbinden [...]. Voor wat de mens betreft: in hem ontstaan de getallen in de groeve van zijn hart*. Ik zie daar, in die groeve, een cirkel** en in het middelpunt daarvan zit iets dat getallen neerschrijft, met voor mij ook een letterbetekenis. En dat iets is de geest***.

* Hiermee wordt het gebied van zowel het maanhersenchakra als het hartchakra bedoeld. In het commentaar bij de Zesde Bruiloftsdag, bij de bespreking van de middelste Olympustorenverdiepingen, wordt over deze chakra's het nodige uiteengezet.
** De chakra's, in de vorige voetnoot genoemd.
*** De geest, zoals die zich uitdrukt in het maanhersenbewustzijn. (Zie ook Zesde Dag, p. 234 e.v.).

De geest schrijft ze neer, maar de lagere mens doet ze ontstaan. Ze ontstaan in het middelpunt van de cirkel in de hartgroeve; en 'nemen dan plaats' op de cirkelrand [...]. Ik voel en zie dat voor iedere zonde, iedere boze gedachte zelfs, in het innerlijk van de mens aldus een getal wordt gezet. En voor iedere goede gedachte, iedere goede daad, evenzeer [...]. Het innerlijk van de mens noteert in getallen diens morele gezindheid. En als de mens na zijn verscheiden ontwaakt in het licht van de zon te middernacht [dat wil zeggen in de geestelijke wereld M.N.] is zijn getal bepaald.

In het licht van het naar voren gebrachte, zal het geen verbazing meer wekken dat in Andreae's hoofdwerk zoveel getallen voorkomen, getallen die in intieme relatie zijn gebracht met de alchemische huwelijksprocessen. Logica en moraliteit horen kennelijk bijeen. En eenmaal op de vele getallen in dat werk attent geworden, valt ook direct op dat ze rekenkundige en kalenderkundige patronen volgen.
Nochtans springt een hechte samenhang tussen die ogenschijnlijk zeer uiteenlopende patronen minder snel in het oog. Maar juist zo'n hechte samenhang brengt pas tot in detail de relatie aan het licht tussen getallenlogica en 'de nieuwe eigentijdse alchemische huwelijksmoraliteit'.
Aangezien het doel van deze studie eruit bestaat om tot in detail die relatie aan het licht te brengen, moet in deze inleiding die samenhang worden getoond. Deze wordt in feite simpelweg gevormd door de hoofdelementen van de (esoterische) geschiedenis van de getallentheorie bijeen te rapen.

DE VERBINDING VAN GETALLENTHEORIE, TAAL EN MUZIEK

Van oudsher waren getallentheorie, taal en muziek met elkaar verbonden. De taal zelf laat in vele termen van uiteenlopende talen haar eertijdse verbinding met de logica en de getallentheorie nog duidelijk zien. Zie hiervoor het onderstaande schema met voorbeelden van woorden met een dubbele betekenis, een taalkundige en een getallenkundige.

 TAAL  GETALLENTHEORIE
 logos (Gr. voor woord)
 taal, vertellen
 opstel
 metrum
 sepher (Hebr. voor boek)
 hexus, sexus
 logica
 getal, tellen
 stelling
 meter
 cijfer
 zes

De verbinding tussen getal, taal en muziek vormt de basis van de vermogens van de oud-Atlantische mensheid: een enorm voorstellingsvermogen en een groot geheugen. Er is hier sprake van een beweging van buiten naar binnen.
Er was echter ook sprake van een beweging van binnen naar buiten. Dit uitte zich in magische vermogens, die zich vaag profileerden in elkaar overlappende technieken en ervaringen, zoals levitatietechniek, weerbeheersing, ethermedica en bovenal werkelijke Godsbeleving.
Maar ze voerden niet tot de ontwikkeling van de vrije persoonlijkheidsmens die in Gods schepping nodig is, als een nieuw, de microkosmos herstellend element.
De eertijdse, veel onvrijere mensheid van Atlantis was in magisch opzicht veel machtiger dan de huidige persoonlijkheidsmens. Maar bij oude, gehandhaafde macht ontstaat niets nieuws en al helemaal niet als die macht ten kwade wordt aangewend, wat in Atlantis veelal het geval was. Iets nieuws ontstaat slechts bij een zekere teloorgang van het oude bestaande, al is dat van nog zo'n bijzondere aard Het oude verdwijnt natuurlijk niet voorgoed, maar tijdelijk, om het nieuwe een kans te geven. Het keert als het nieuwe is volgroeid, op een hoger niveau terug.
Zo verdwenen op een zeker moment in de wereldgeschiedenis met het Atlantische mensentype, de oude, op de eenheid van taal, getal en muziek gebaseerde Atlantische vermogens en magie, om de opkomst van de na-Atlantische persoonlijkheidsmens mogelijk te maken. Deze persoonlijkheidsmens ontwikkelde vermogens van strikt mentale aard. Vermogens die derhalve oordeelskracht en dus keuzevrijheid inhouden, waardoor op een nieuwe wijze God kan worden gediend, maar die verder analytisch van karakter zijn en remmend werken op de voorstelling en het geheugen. Derhalve voeren deze vermogens tot anti-magische resultaten.
Aldus werd de drie-eenheid van taal, getallentheorie en muziek in een met-magische, mentaal-analytische mensheidsdienst gesteld, waardoor ze uiteenviel in eerst drie en later in vele separate disciplines en vakgebieden. De ontwikkeling en versplitsing van deze disciplines en vakgebieden gaat voort tot op de dag van vandaag en typeert hierdoor de cultuur van de na-Atlantische mensheid.
De voortgaande evolutie van disciplines en vakgebieden gaat gepaard met een onbewust heimwee naar het magische eenheidsverband van de Atlantische mensheid én met het verlangen naar een toekomstig magisch eenheidsverband, waarin de verworvenheden en verdiepingsaspecten van de huidige, met-magische cultuur zullen zijn opgenomen.

DE GESCHIEDENIS VAN DE NA-ATLANTISCHE GETALLENTHEORIE

Vanuit deze meervoudige, ambivalente impuls ontwikkelde zich in de vierde na-Atlantische cultuur* - de cultuur van de Griekse en de Semitische volkeren - de getallentheorie. Door een aftakking van het joodse volk naar Midden-Amerika, vond bij de Tolteekse volkerenfamilie -met name bij de Maya's - een parallelle ontwikkeling plaatst**.
In die vierde na-Atlantische cultuur kwam de huidige mensheid voor het eerst tot het begin van echt ik-besef en keuzevrijheid. Een besef en een vrijheid die in onze huidige vijfde na-Atlantische cultuur hecht en volledig werden. De eerste drie na-Atlantische culturen: de Indische, de Perzische en de Chaldeeuws-Egyptische, vormden hiertoe slechts de aanzet door enkele van de Atlantische verworvenheden - die dat besef en die vrijheid voorbereidden - in na-Atlantische omstandigheden gemetamorfoseerd paraat te houden. Nochtans kenden die culturen vele cultuurhoogtepunten die de toekomst reeds vooruit namen. Aldus steunt de getallentheorie - die in de Griekse en de Semitische cultuur acceleratief groeide en consistentie verkreeg - op oude Indische, Perzische en Egyptische vindingen.
Zo werd enige eeuwen voor Christus in Griekenland -op grond van oude Indische en Perzische filosofie en astronomie - door Aristoteles voor het eerst in de wereldgeschiedenis de logica geformaliseerd.

* In het navolgende opstel over het bad Bethesda zullen de na-Atlantische culturen worden opgesomd en kort besproken.
** Een andere oorzaak waardoor in het Westen van de wereld (en overigens ook in China) de getallentheorie al vroeg in relatie met een vervroegd ik-besef een hoge vlucht nam, is dat in het Atlantische Vulcanusorakel de na-Atlantische intellectualiteit prematuur werd ontwikkeld. De adepten van dat Vulcanusorakel leverden voor de Tolteekse en Chinese volkerenfamilies vele leiders, (Zie R. Steiner: Wetenschap van-de geheimen der ziel, Hfdst. IV.)

Door Pythagoras werd een stuk getallentheorie ontwikkeld, gebaseerd op geometrische vormen en in relatie met de muziekleer. Later volgden Euclides en anderen.
Hieraan parallel, maar wat later in de geschiedenis, ontwikkelde zich de rekenkunde van de joden en de Arabieren. Deze rekenkunde was van oudsher met taalleer verbonden. Na verloop van enkele eeuwen mondde zij uit in twee stromingen.

De joodse kabbala

De eerste stroming was die van de joodse kabbala, die na lange tijd mondeling te zijn overgeleverd, werd vastgelegd in de Sepher Jezira, de Zohar en de Clavicula Schemamphoras (Salomonische sleutels). Belangrijke vertegenwoordigers zijn Rabbi Ismael ben Elisa en Rabbi Nechunjah Hakana (beiden tweede eeuw na Christus) en na hen Rabbi Salomon.
Deze stroming ontwikkelde, op basis van een van oudsher gehandhaafd verband tussen taal en getal, een stelsel van magische vierkanten van het soort dat in het voorwoord werd genoemd. Zij relateerde dat stelsel aan de aloude en bekende kabbahstische levensboom. Over dit stelsel en deze boom meer in het opstel over het bad Bethesda op diverse plaatsen. De werken van genoemde vertegenwoordigers zijn voor de moderne tijd gepopulariseerd weergegeven door bijvoorbeeld Papus en F. Weinreb. Hun inhoud wordt, zoals gezegd, in hoge mate gekenmerkt door het vermelde eertijdse en in de toekomst weer geldige eenheidsverband, dat zo magisch uitwerkt. Lange eeuwen was die inhoud om geschetste redenen buiten beeld.
Maar met het oog op toekomstige getallentheoretische ontwikkelingen, die weer magisch georiënteerd zullen zijn, nam de Broederschap van het Rozenkruis de kern van de genoemde werken in haar eigen toekomstgerichte leringen op. Hierover kan men lezen in bijvoorbeeld het geschrift Die sieben Heiligen Grundsaülen der Ewigkeit und Zeit, van Adamah Booz.

De Griekse gematria

De joodse rekenkunde beïnvloedde die van de Grieken. Deze Griekse rekenkunde legde in toenemende mate de nadruk op de reeds in Atlantis erkende verbinding tussen getal en taal. In de eerste eeuwen na Christus ontwikkelde zich naast de Aristotelische logica en de Pythagoreïsche en Euclidische rekenkunde en geometrie de zogeheten Griekse gematria. Daarvan werd de Christelijke kerkvader Clementinus van Alexandrië (tweede eeuw AD) de belangrijkste vertegenwoordiger. Achteraf bezien kan worden vastgesteld dat in deze Griekse rekenkunde getracht werd om - analoog aan het stelsel van magische vierkanten van de kabbala - een stelsel van magische zeshoeken te ontwikkelen, in de vorm van symmetrische stukken honingraat van onderscheiden grootte, die metakubussen werden genoemd en gerelateerd werden aan gnostieke namen en termen: bijvoorbeeld aan de naam Jezus Christus of de term het ene Mariawezen.
Tot de ontwikkeling van zo'n stelsel van magische zeshoeken kwam het niet, want de daarvoor benodigde wiskunde was nog met in de Pythagoreïsche en Euclidische scholen ontwikkeld (hierover meer in het opstel over het bad van Bethesda). De leringen van de Griekse gematria en met name die van Clementinus van Alexandrië zijn hernieuwd en gepopulariseerd aan het licht gebracht door de Anglicaanse bisschop Simcox Lea en de architect en vermoedelijke vrijmetselaar Bligh Bond.

De Arabische algebra

De tweede stroming waarin de oude joodse en Arabische rekenkunde uitmondde, was die van de voorlopers van de algebra en de moderne getallentheorie, vertegenwoordigd door de islamitische wiskundigen uit Perzië en Arabië. Vanuit Gondisjapur en Bagdad werden van de zevende tot en met de dertiende eeuw de leringen van Aristoteles, Pythagoras, Euclides en anderen verder ontwikkeld en naar Europa uitgedragen door bijvoorbeeld Thabit Ibn Qurra (836-901) en Bhaskara (1114-1185).

De moderne wiskunde

De moderne wiskunde ontwikkelde zich in het Europa van de zestiende en zeventiende eeuw. Deze baseerde zich op de wiskunde uit de Europese kloosterscholen, die hun kennis uit het Oosten hadden gehaald.
Een aantal belangrijke grondleggers van de moderne wiskunde zijn: Johannes Keppler (1571-1630), een vriend van Andreae, Marin de Mersenne (1588-1648) en Pierre de Fermat (1601-1665), Blaise Pascal (1622-1662) en Leonard Euler (1707-1783). Aspecten van enkele van hun studies, of van oude voorlopers daarvan, blijken in De alchemische bruiloft te zijn opgenomen hoewel altijd verpakt in een vergelijking en ten halve meegedeeld. (Zie het commentaar op de Derde Bruiloftsdag.)

De Midden-Amerikaanse getallenleer en kalenderkunde

Bij de Midden-Amerikaanse volkeren vonden van ca. 500 v. Chr. tot 1400 na Chr. soortgelijke getallentheoretische ontwikkelingen plaats van zowel getallenmagisch als strikt logisch karakter. Zij het dat die ontwikkelingen voortdurend en obsessief waren gerelateerd aan een unieke, complexe kalenderkunde die de rest van de wereld niet kende* Zelfs de Chaldeeën en de Egyptenaren beschikten niet over een kalenderkunde die een vergelijking met die van de Tolteken en de Maya's kon doorstaan. Zelfs onze moderne cultuur beschikt daar niet over. Deze kalenderkunde resulteerde in de constructie en toepassing met unieke rekenkundige middelen** van de Tzolkin: de pnesterkalender van 260 dagen van de Maya's en de Tolteken. Een aantal dagen gelijk aan het aantal schreden van de dikte van de muur van het eiland van Olympus (waarvan sprake was in het voorwoord en waarover nog veel naar voren zal worden gebracht).
Tot zover de schets van de geschiedenis van de (esoterische) getallentheorie, waarvan de opgesomde hoofdelementen de ogenschijnlijk nogal uiteenlopende getallenpatronen in Andreae's bruiloftsverhaal in een totaalsamenhang plaatst. In een samenhang met de kenmerken van de geschiedenis der getallentheorie: strikte rekenkundige rationaliteit, soms met en soms wel in relatie met getallenmagie. Het betreft een samenhang die, zoals werd aangestipt, de loper uitlegt om in deze studie tot in detail het verband aan te tonen tussen die mentaal georiënteerde getallentheorie en de eigentijdse alchemische huwelijksmoraliteit. We zullen zien hoezeer de onbetwistbaarheid, die zo'n theorie en haar elementen van nature eigen is, voor die huwelijksmoraliteit de sterkste pleitbezorgster is. Meer dan die pleitbezorging is, dat we zullen zien hoezeer die getallentheoretische elementen in Andreae's verhaal utdrukking geven aan de geciteerde woorden van de Zieneres van Prevorst en onze opmerkingen die aan dat citaat vooraf gingen (p. 26 e.v.).

* Deze unieke kalenderkunde was gelegen in het feit dat de oude Midden-Amerikanen extreem door het wezen van de tijd werden geobsedeerd. Waarom dat zo was voert te ver om hier uiteen te zetten. Zie hiervoor alle bekende literatuur over de oude Midden-Amerikaanse culturen (Arguëlles: The Mayan factor. Scheele: A forest of kings. Thompson: Die Maya) en het slot van het commentaar op de Vijfde Bruiloftsdag.
** Deze middelen waren: de toepassing van het nulbegrip (nog vóór de Indiërs dat deden) en het hanteren van het twintigtallig stelsel.

© muninnederlander.nl